De wereld gebruikt steeds meer stroom. Daardoor vertelt een percentage maar het halve verhaal. Our World in Data.
← Terug naar overzicht

De wereld gebruikt steeds meer stroom. Daardoor vertelt een percentage maar het halve verhaal. Our World in Data.

Hernieuwbare elektriciteit groeit, het aandeel kernenergie krimpt. Maar achter die verschuiving schuilt een minstens zo belangrijke ontwikkeling: de wereld produceert inmiddels ruim twee keer zoveel elektriciteit als in 2000. Wie de energietransitie wil begrijpen, moet behalve percentages ook terawatturen tellen.

Een grafiek kan correct zijn en toch gemakkelijk verkeerd worden gelezen. Our World in Data publiceerde onlangs een overzicht van de wereldwijde elektriciteitsmix. De groene lijn van hernieuwbare bronnen stijgt, de blauwe lijn van kernenergie daalt. In 2025 kwam afgerond 34 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en 9 procent uit kerncentrales. Fossiele brandstoffen leverden de resterende 57 procent. Rond de eeuwwisseling lagen de aandelen van hernieuwbaar en nucleair nog dicht bij elkaar.

De verleiding is groot daar een wedstrijdverslag van te maken. Hernieuwbaar wint, kernenergie verliest. Maar de elektriciteitsvoorziening is geen wedstrijd met een vast aantal punten. De totale hoeveelheid opgewekte stroom groeit. Een techniek kan daardoor een kleiner marktaandeel krijgen terwijl haar productie gelijk blijft, of zelfs stijgt. Om te begrijpen wat er werkelijk gebeurt, moeten we eerst naar de omvang van het geheel kijken.

Wereldwijde elektriciteitsproductie volgens de OWID-reeks: circa 9.886 TWh in 1985, 15.279 TWh in 2000 en 31.772 TWh in 2025. Sinds 2000 bedraagt de stijging ongeveer 108 procent. Het gaat om opwekking; het uiteindelijke verbruik door huishoudens en bedrijven ligt lager door onder meer netverliezen en eigen gebruik van centrales.

Die groei geeft het verhaal een andere schaal. In 1985 produceerde de wereld nog geen tienduizend terawattuur elektriciteit. Veertig jaar later is dat bijna tweeëndertigduizend. Een terawattuur is een miljard kilowattuur. De mondiale jaarlijkse stroomproductie is sinds 1985 dus ruim verdrievoudigd. De vraag of het elektriciteitsverbruik is gestegen, kan daarmee overtuigend worden beantwoord: ja, en aanzienlijk. Alleen moeten productie en finaal verbruik in een nauwkeurige vergelijking uit elkaar worden gehouden.

De stijgende lijn kent onderbrekingen, maar geen langdurige omkering. In de reeks zijn zowel de financiële crisis als de coronapandemie herkenbaar. Daarna hervat de groei zich. Sinds 2000 kwam er per saldo ongeveer 16.500 TWh jaarlijkse productie bij. Dat is méér dan de volledige wereldproductie aan het begin van deze eeuw. De opdracht voor de elektriciteitssector bestaat daarmee uit twee gelijktijdige werkzaamheden: bestaande fossiele productie vervangen én een groeiende elektriciteitsvraag bedienen.

Waarom die vraag groeit, is minder raadselachtig dan het soms lijkt. Elektriciteit maakt verlichting, koeling, communicatie, productie en vervoer mogelijk. Een groeiende economie vraagt doorgaans meer van die diensten. Volgens het Internationaal Energieagentschap kwam het grootste deel van de mondiale vraaggroei in 2025 uit industrie, huishoudelijke apparaten en commerciële gebouwen. Elektrische auto’s en datacenters groeiden snel, maar vormden wereldwijd nog een relatief beperkt deel van de extra vraag. De aandacht voor kunstmatige intelligentie mag die bredere ontwikkeling niet uit beeld drukken.

Meer elektriciteitsverbruik betekent bovendien niet automatisch meer energieverspilling. Een elektrische aandrijving kan een verbrandingsmotor vervangen; een warmtepomp kan warmte leveren waarvoor eerder aardgas werd verstookt. Bij zulke verschuivingen groeit het stroomverbruik, terwijl de benodigde hoeveelheid energie voor dezelfde dienst kan afnemen. Voor klimaatbeleid is daarom vooral relevant welke brandstoffen verdwijnen, hoeveel elektriciteit daarvoor terugkomt en hoe die stroom wordt opgewekt. Een lagere elektriciteitsvraag is op zichzelf geen volledige maatstaf voor succes.

Tegen deze achtergrond krijgt de blauwe lijn van kernenergie haar betekenis. Our World in Data constateert dat de mondiale nucleaire productie ongeveer op hetzelfde niveau ligt als twee decennia geleden. De rest van het elektriciteitssysteem groeide ondertussen sterk door. Kernenergie verloor daardoor aandeel. Dat is een wezenlijk andere boodschap dan de suggestie dat de wereld steeds minder nucleaire elektriciteit produceert. De belangrijkste constatering over deze periode is stagnatie ten opzichte van een groeiende markt.

Een eenvoudig rekenvoorbeeld maakt dat zichtbaar. Wie jaarlijks honderd eenheden produceert in een markt van duizend, heeft tien procent marktaandeel. Groeit de markt naar tweeduizend en blijft de productie honderd, dan resteert vijf procent. Er is niets van de oorspronkelijke productie verdwenen. Toch is het aandeel gehalveerd. De wereldwijde ontwikkeling van kernenergie volgt niet exact dit voorbeeld, maar de noemer werkt op dezelfde manier. Een percentage beschrijft altijd de verhouding tot iets anders.

Bij hernieuwbare elektriciteit gebeurt meer. Daar groeit niet alleen het aandeel, maar ook de productie sterk. Vooral zonne-energie heeft inmiddels voldoende omvang om de mondiale jaarcijfers zichtbaar te veranderen. Volgens Ember steeg de productie van zonnestroom in 2025 met 636 TWh tot 2.778 TWh, een toename van ongeveer dertig procent. Zon leverde daarmee ongeveer driekwart van de extra elektriciteitsvraag van dat jaar. Samen dekten zon en wind vrijwel de volledige vraaggroei.

Daarbij verdient het woord hernieuwbaar enige precisie. De groene lijn omvat ook waterkracht, bio-energie en andere bronnen. Het is dus onjuist de volledige 34 procent aan zonnepanelen en windturbines toe te schrijven. Evenmin zijn hernieuwbaar en CO₂-arm synoniemen. Kernenergie behoort tot de CO₂-arme bronnen, maar wordt niet als hernieuwbaar ingedeeld. Voor een analyse van klimaatprestaties is het daarom nuttig beide groepen gezamenlijk te bekijken, zonder hun technische verschillen weg te poetsen.

Dezelfde aandacht voor absolute hoeveelheden is nodig bij fossiele elektriciteit. Een dalend fossiel aandeel kan samengaan met een stijgende fossiele productie. Stel dat een elektriciteitsmarkt verdubbelt terwijl het fossiele aandeel daalt van zestig naar vijftig procent. Dan neemt de fossiele productie toch met twee derde toe. Wie alleen het percentage presenteert, laat vooruitgang in de samenstelling zien, maar vertelt nog niet wat er met de hoeveelheid verbrande brandstof gebeurt. Voor de atmosfeer zijn juist die verbranding en de bijbehorende emissies bepalend.

In 2025 werd een relevante grens gepasseerd. Ember rapporteert dat de groei van CO₂-arme elektriciteit groot genoeg was om de volledige extra vraag op te vangen. De mondiale fossiele stroomproductie daalde licht, met ongeveer 0,2 procent. Dat is betekenisvol: schone bronnen voegden voldoende productie toe om fossiele groei te voorkomen. Maar een vrijwel vlakke fossiele productie is nog geen snelle afbouw. Het bestaande fossiele volume blijft enorm, ook wanneer zijn aandeel verder terugloopt.

Daar komt een technische opdracht bij die een jaarlijkse energiegrafiek nauwelijks laat zien. Elektriciteit moet beschikbaar zijn wanneer gebruikers haar nodig hebben. Een jaartotaal zegt weinig over een windstille winteravond, een zonnige middag of een overbelaste verbinding. Meer opwekking vraagt daarom ook om passende netten, regelbaar vermogen, opslag en mogelijkheden om de vraag te verschuiven. Die voorzieningen kosten geld en tijd. Een vergelijking van productietechnieken wordt pas bruikbaar wanneer zij ook de prestaties van het volledige systeem beoordeelt.

Voor kernenergie geldt dezelfde discipline. Een centrale die veel uren produceert, heeft een andere functie dan een zonnepark. Dat maakt haar bijdrage relevant, maar bewijst nog niet dat ieder nieuw project economisch verstandig is. Omgekeerd bewijst de snelle groei van zon niet dat alle andere bronnen overbodig worden. De praktische vraag is welke combinatie tijdig voldoende betrouwbare elektriciteit levert en daarbij fossiele productie daadwerkelijk terugdringt.

De grafiek van Our World in Data laat dus een echte verschuiving zien. Hernieuwbare bronnen groeien veel sneller dan kernenergie. De aanvullende grafiek laat zien waarom die verschuiving niet het hele verhaal is: het elektriciteitssysteem zelf is sinds 2000 ruim verdubbeld. De klimaatopgave wordt pas zichtbaar wanneer beide beelden naast elkaar staan. Er moet voldoende schone stroom bijkomen voor nieuwe toepassingen, terwijl tegelijkertijd bestaande kolen- en gasproductie verdwijnt. Vooruitgang vraagt stijgende schone terawatturen én dalende fossiele terawatturen.

Meer Artikelen

Energy
Energy

Honderd kilowattuur is niet altijd hetzelfde: de weg van energiebron naar stopcontact. Energieverliezen in de keten voor verschillende Europese landen.

De herkomst van elektriciteit is cruciaal voor het energiedebat. De conversie van energie varieert per technologie en startpunt. Zonnestroom en windenergie beginnen al als elektriciteit, terwijl fossiele brandstoffen warmte omzetten. Verschillende landen hebben hun eigen mix van energiebronnen, wat impact heeft op rendement en gebruikersoutput. Vergelijking vereist nauwkeurige definities van bronnen en rendementen.

Lees meer →
Energy
Energy

Niet dichtstorten, maar disciplineren. Op weg naar een rationale gasstrategie (Deel 2).

De sluiting van het Groningenveld vraagt om een zorgvuldige strategische afweging. Hoewel volledige sluiting onomkeerbaar is en €2 miljard kost, moet Nederland eerst seizoensopslag prioriteren voordat tijdelijke noodreservoirs overwogen worden. Een waakstand moet alleen onder strikte voorwaarden en veiligheidscriteria mogelijk zijn, om misbruik te voorkomen en sociale stabiliteit te waarborgen.

Lees meer →
Energy
Energy

Niet opnieuw aan de Groningen kraan, maar wel opnieuw naar de ondergrond kijken en gasstrategie hanteren (Deel 1).

Het Nederlandse gasbeleid moet strategisch herzien worden door de lage gasopslagen en de herhaalde discussie over Groningengas. Veiligheid en leveringszekerheid zijn cruciaal, en drukbeheer in Groningen kan daarbij een rol spelen. Een robuuste aanpak vereist diversificatie en efficiëntie, zonder Groningen als een onbetrouwbare reserve te beschouwen.

Lees meer →