Hoogmoed, wensdenken en opportunisme in energiebeleid (De Nieuwe Wereld – Remco de Boer)

Over gasnetten die duurder worden naarmate je ze “uitfaseert”, Europa dat zichzelf klem zet tussen klimaatambitie en geopolitiek, en waarom realisme (eindelijk) weer een deugd moet worden.

In het gesprek bij De Nieuwe Wereld schuift Remco de Boer een ongemakkelijke, maar technisch herkenbare diagnose naar voren: het Europese energie- en klimaatbeleid is lang gedragen door een combinatie van hoogmoed (“wij kunnen als eerste”), wensdenken (“willen is kunnen”) en opportunisme (de drang naar mooie symbolen, deadlines en persmomenten). De rekening van die mix verschijnt nu in steeds concretere vormen: netcongestie, onbetaalbare investeringspaden, industrie die twijfelt of vertrekt, en een geopolitieke realiteit waarin goedkope, beschikbare energie weer wordt gezien als machtspolitiek fundament.

Dit artikel volgt de lijn van het gesprek: van de gasuitfasering (en de onverwachte verdelingsvraagstukken), via de geopolitieke energiemacht van de VS, naar de Europese “klimaat-op-één”-strategie en de vraag wat een realistischer, ingenieursvriendelijker koers zou zijn.

De gasparadox: hoe “van het gas af” duurder kan worden

Het gesprek opent met een voorbeeld dat meteen duidelijk maakt hoe systeemkosten werken: gasnetten hebben hoge vaste kosten (beheer, onderhoud, veiligheid, vervangingsinvesteringen). Zolang veel aansluitingen meebetalen, zijn die kosten per gebruiker dragelijk. Maar als steeds meer huishoudens “van het gas af” gaan, blijft dezelfde infrastructuur in stand voor een krimpende groep. Dan gaat de netwerkkost per resterende gebruiker omhoog—soms explosief.

In Duitsland is die dynamiek recent becijferd: analyses (o.a. Fraunhofer) wijzen erop dat gasverwarmde huishoudens richting 2045 met sterk oplopende netwerkkosten geconfronteerd kunnen worden—orde van grootte: van honderden euro’s naar duizenden euro’s per jaar in een “laatste gebruikers”-scenario. Clean Energy Wire

De politieke en sociale angel zit ‘m in wie die “laatste gebruikers” zijn. Zoals in het gesprek wordt benoemd: vaak niet de huishoudens met de meeste investeringsruimte (die kopen een warmtepomp, isoleren sneller), maar juist mensen met minder financiële marge of met woningen waar de overstap technisch lastiger is. Dan ontstaat een verdelingsvraagstukdat politieke extremen cadeau’s kan geven: “het is beloofd, maar het pakt onrechtvaardig uit”.

De kernfout is niet dat men wil verduurzamen, maar dat men te weinig openlijk rekent met systeemlogica: vaste kosten, afschrijving, transitiefasen, en het tempo waarin je afbouwt zonder mensen in een fuik te duwen.

Europa ruilde afhankelijkheid in: van Russisch pijpleidinggas naar Amerikaans LNG

Een tweede hoofdthema is geopolitiek: Europa dacht lange tijd dat energie vooral een marktproduct was. Sinds de oorlog in Oekraïne is pijnlijk zichtbaar dat energie ook macht is. In het gesprek wordt dit scherp geformuleerd: Europa heeft Russische afhankelijkheid ingeruild voor een nieuwe afhankelijkheid, nu vooral van LNG (waaronder Amerikaans LNG). Dat levert de VS leverage op—zeker in een wereld waar handelstarieven, sancties en grondstoffenpolitiek steeds vaker instrumenten zijn.

Dat dit geen losse indruk is, zie je terug in recente analyses over Europa’s positie in het mondiale emissie- en energieveld: de EU is intussen nog maar rond ~6% van de mondiale uitstoot (en dalend in aandeel), terwijl andere machtsblokken energie en industriepolitiek steeds explicieter verbinden. EDGAR+1

Dit is precies waar De Boer (en in het gesprek ook Martin Sommer) op hamert: als je geopolitiek terug is, dan is “we kopen het wel in” geen strategie meer. Dan wordt de vraag: hoe houd je je energievoorziening robuust, betaalbaar en politiek autonoom?

“Abundant cheap energy” als geopolitieke doctrine

In het gesprek komt een Amerikaanse lijn naar voren: de overtuiging dat economische en technologische dominantie vraagt om overvloedige, goedkope energie. Niet alleen voor huishoudens, maar vooral voor industrie, defensie en—heel actueel—datacenters en AI.

Die koppeling zie je ook in de realiteit van netten: zelfs als je hernieuwbaar hard uitrolt, loop je aan tegen infrastructuur. In Nederland zijn de noodzakelijke investeringen in netverzwaring inmiddels zó groot dat bedragen van ~€195–200 miljard richting 2040 rondzingen in beleids- en media-analyse. NOS+2NU.nl+2

Daarmee ontstaat een dubbel spanningsveld:

  1. Europa elektrificeert, maar heeft een net dat die snelheid niet kan bijbenen (congestie, wachtrijen, onzekerheid).
  2. Industrie en investeerders vragen: “Is er straks betrouwbare stroom tegen concurrerende prijzen?” Als het antwoord onzeker is, verplaats je investeringen—zeker als elders (VS, delen van Azië) energie- en industriepolitiek als één pakket wordt aangeboden.

De EU: klimaat op één, de rest als afgeleide

Een van de meest geladen passages in het gesprek gaat over de Europese keuze om klimaatdoelen niet alleen als richtinggevend, maar als juridisch verankerd hoofddoel te behandelen. In die sfeer wordt bijvoorbeeld verwezen naar aangescherpte doelen richting 2040 (in EU-regelgeving zie je daadwerkelijk 2040-doelstellingen terug in sectorale standaarden, bijvoorbeeld bij voertuignormen). Climate Action

Het gesprek zet daar een ongemakkelijke vraag tegenover: als grote uitstoters (VS, China, India, plus bredere blokken) hun economische groei en energiebeschikbaarheid expliciet bovenaan zetten, en Europa zichzelf bindt aan zeer strakke reductiepaden, wat betekent dat voor:

  • concurrentiekracht,
  • energieprijzen,
  • industriebehoud,
  • strategische autonomie?

Hier raakt De Boer aan een bestuurlijke psychologie: veel bestuurders en instituties zijn zó lang onderweg in het morele narratief (“wij doen het goede”) dat bijsturen bijna gelijkstaat aan gezichtsverlies. Dan krijg je beleids-silo’s: het ene directoraat juicht reductiecijfers toe, het andere schrijft rapporten over weglekkende industrie—zonder dat die twee werkelijk één gesprek worden.

Ter illustratie: de EU ziet in het ETS een duidelijke emissiedaling, met name in de elektriciteitssector; tegelijk is de industriële dynamiek complexer en staat concurrentiekracht onder druk. Reuters

COP30 als spiegel: de EU wil sturen, maar kan niet leveren

Het gesprek gebruikt COP30 (Belém, Brazilië) als illustratie van Europese onmacht. In diverse verslagen komt terug dat de onderhandelingen moeizaam waren, dat er veel spanning zat op de rol van fossiel, en dat de EU intern niet altijd eensgezind was. NU.nl+2volkskrant.nl+2

Ook wordt gerapporteerd dat de EU (met Hoekstra als gezicht) hard wilde inzetten op fossiel-ambitie, maar dat de slottekst—na chaotische onderhandelingen—niet het gewenste harde resultaat gaf. volkskrant.nl+2Parool+2

Los van ieders politieke interpretatie is de meta-les technisch en strategisch: als je met 200 landen letter-voor-letter consensus nodig hebt, dan wordt het eindproduct per definitie een compromis. Dat werkte historisch als symbool (Kyoto, Parijs), maar in een wereld van handelsoorlogen, blokvorming en grondstoffenpolitiek loopt het sneller vast.

De-industrialisatie: klimaatwinst of verschuiving van productie?

Een terugkerende spanning in het gesprek: reductie kan deels voortkomen uit echte efficiëntie en verduurzaming, maar ook uit minder productie of verplaatsing van industrie. Dan daalt je binnenlandse uitstoot, maar de goederen komen alsnog—alleen nu met emissies elders.

Dit is een oude waarschuwing, maar inmiddels steeds relevanter: Europa wil met instrumenten als CBAM (grenscorrecties) carbon leakage tegengaan, maar tegelijkertijd ontstaan nieuwe handelsconflicten en politieke deals. In het gesprek wordt dit aangehaald als onderdeel van een bredere realiteit: klimaat is niet meer “alleen klimaat”; het is verweven met handel, tarieven, industriepolitiek en geopolitiek.

Waarom “we hebben de plicht optimistisch te zijn” bestuurlijk giftig is

Het sterkste slot van het gesprek is misschien wel geen getal, maar een bestuursfilosofie: De Boer zet zich af tegen het idee dat bestuurders een “plicht tot optimisme” zouden hebben. Zijn punt is in feite ingenieurslogica:

  • Optimisme is geen plan.
  • Ambitie zonder randvoorwaarden is geen strategie.
  • Complexe systemen straffen zelfbedrog genadeloos af—alleen met vertraging.

De netcongestie-casus is daar een perfecte illustratie van: technisch was het al jaren te beredeneren dat snelle elektrificatie gigantische netinvesteringen en redundantie-eisen zou oproepen. Inmiddels ligt dat open en bloot op tafel, inclusief prijskaartjes die niemand “erbij” had verteld. NOS+1

En nu? Een realistischer route zonder cynisme

In het gesprek pleit De Boer voor iets dat in het publieke debat vaak verkeerd wordt verstaan: klimaatdoelen loslaten als alles-overheersend juridisch dogma betekent niet “niks doen”. Het betekent: doelen balanceren met andere doelen, en harde randvoorwaarden meenemen alsof je een systeem ontwerpt.

Een meer realistische benadering zou er (in de geest van het gesprek) zo uit kunnen zien:

A) Meervoudige doelen, expliciet naast elkaar

Zet niet één superdoel boven alles, maar formuleer naast klimaat ook harde doelen voor:

  • betaalbaarheid (bandbreedtes),
  • leveringszekerheid (criteria, stress-tests),
  • industriebehoud (welke sectoren móeten blijven en waarom),
  • strategische autonomie (importafhankelijkheden per energiedrager, per grondstof).

B) Tempo als beleidsknop

De grote strijd is niet óf er een transitie komt, maar hoe snel en met welke volgorde. Tempo moet gestuurd worden door netcapaciteit, uitvoeringskracht, en sociale rechtvaardigheid (zoals bij het gasnet).

C) Alles inzetten wat werkt — zonder ideologische taboes

In het gesprek klinkt het onromantisch: “we hebben alles nodig”. Dat betekent: hernieuwbaar waar het kan, kernenergie als serieuze optie (maar niet als wondermiddel), flexibiliteit, opslag, vraagsturing, én een realistische rol voor gas/olie zolang het systeem er nog op draait—met verstandige binnenlandse winning waar dat strategisch helpt.

D) Systeemkosten eerlijk maken

Geen “gratis zon en wind”-verhaal meer. Benoem:

  • netkosten,
  • back-up en redundantie (dunkelflaute),
  • ruimtelijke impact,
  • grondstoffenketens,
  • en de verdeling van kosten over huishoudens en industrie.

De ongemakkelijke, hoopvolle conclusie

Het gesprek eindigt niet in pure somberte maar in een paradoxale hoop: misschien is het feit dat het nu aan alle kanten schuurt de noodzakelijke reality check. Niet om terug te keren naar fossiele nostalgie, maar om eindelijk volwassen te worden in systeemdenken.

Europa is technisch rijk, hoogopgeleid, en historisch innovatief. Maar als het zichzelf vastbindt aan doelen zonder uitvoeringspad, zonder energiezekerheidsstrategie en zonder industrieel fundament, dan wordt klimaatbeleid geen morele overwinning maar een economische kwetsbaarheid.

De kernboodschap van het gesprek bij De Nieuwe Wereld is daarom in één zin samen te vatten:

Niet optimisme of pessimisme is nodig, maar realisme—en de moed om beleid weer als techniek te behandelen: met randvoorwaarden, feedback, en bijsturing.

Plaats een reactie