Hout verbranden voor energie: klimaatoplossing of schijnoplossing?

Hieronder een Nederlandstalig artikel , gebaseerd op het recente wetenschappelijke artikel “Burning Forest Biomass Is Not an Effective Climate Mitigation Response and Conflicts With Biodiversity Adaptation” van Mackey et al. (2025).

De inzet van houtige biomassa als energiebron groeit explosief in Europa en daarbuiten. Veel regeringen beschouwen bosbiomassa als een “hernieuwbare energiebron” en rekenen het mee in hun klimaatdoelstellingen. Maar volgens een nieuwe wetenschappelijke analyse van Mackey et al. (2025), gepubliceerd in het tijdschrift Climate Resilience and Sustainability, is deze beleidskoers niet alleen ineffectief voor klimaatmitigatie, maar ook ronduit schadelijk voor bossen en biodiversiteit. In dit artikel bespreken we hun belangrijkste conclusies, onderbouwd met cijfers en modelanalyses.

Biomassa: een booming business

De afgelopen jaren is het gebruik van houtige biomassa voor elektriciteitsopwekking en verwarming sterk toegenomen, vooral in de Europese Unie. Dankzij stimuleringsmaatregelen onder de Europese Richtlijn Hernieuwbare Energie is het aandeel van biomassa in de EU’s energieportfolio gestegen tot bijna 60% van alle hernieuwbare energiebronnen. In sommige landen wordt de helft van alle houtverbranding gebruikt voor huishoudelijke verwarming. Tegelijkertijd groeit de internationale handel in houtpellets snel: de Verenigde Staten exporteren jaarlijks meer dan 7 miljoen ton houtpellets, vooral naar Europa en Japan.

Het probleem? Een groot deel van deze biomassa komt niet uit resthout of snoeiafval, maar direct uit bossen — inclusief oude, natuurlijke bossen die belangrijk zijn voor koolstofopslag en biodiversiteit.

Is biomassa wel CO₂-neutraal?

Een wijdverbreid argument is dat het verbranden van hout geen netto CO₂-uitstoot veroorzaakt, omdat bomen weer aangroeien en dezelfde hoeveelheid CO₂ opnemen. Mackey et al. ontmantelen deze claim overtuigend. Ze laten zien dat:

  • De CO₂-uitstoot bij verbranding onmiddellijk is, terwijl de opname door hergroei decennia tot eeuwen kan duren;
  • De verbranding van hout per geproduceerde kWh zelfs méér CO₂ uitstoot dan kolen, vooral bij vers hout met een hoog vochtgehalte;
  • De aanname van ‘koolstofneutraliteit’ in veel modellen een uitgangspunt is, geen berekend resultaat, wat leidt tot een systematische onderschatting van de werkelijke klimaatimpact.

Het netto effect is dat de atmosfeer gedurende tientallen jaren juist méér CO₂ bevat dan wanneer men fossiele brandstoffen had gebruikt.

De truc van het ‘netto saldo’

Volgens de internationale richtlijnen mogen landen hun landgebruik en bosbeheer rapporteren op basis van netto emissies. Dat betekent dat de CO₂-uitstoot door houtoogst wordt gecompenseerd door de opname in groeiende bossen. In theorie lijkt dit logisch. In praktijk maskeert het belangrijke emissies: houtkap op 2% van het bosoppervlak kan worden gecompenseerd door groei op de andere 98%, waardoor de werkelijke emissies uit zicht verdwijnen. Vooral landen als Finland, Tsjechië, Ierland en Estland verliezen in snel tempo hun bos-koolstofsink.

Deze boekhoudkundige benadering werkt wellicht op papier, maar leidt tot beleid waarin houtverbranding wordt beschouwd als emissievrij, wat het in werkelijkheid niet is.

Vervangt biomassa echt fossiele brandstoffen?

Een ander veelgehoord argument is dat biomassa fossiele energie vervangt en zo de klimaatimpact beperkt. Ook hier kraakt het betoog. Biomassa vervangt in de praktijk zelden kolen of gas; het verdringt juist andere vormen van echt schone energie, zoals wind en zon, die géén uitstoot veroorzaken en waarvoor de koolstofschuld niet tientallen jaren duurt.

Het klimaatvoordeel van “substitutie” wordt bovendien vaak overschat doordat men geen rekening houdt met het verlies aan koolstofopslag, verminderde bodemkwaliteit, en de vertraging in hergroei. Zelfs in de meest optimistische scenario’s blijft houtverbranding een tijdelijke klimaatbelasting.

Wat met resthout?

Voorstanders van bio-energie beweren vaak dat het vooral gaat om het verbranden van “resthout” — takken, twijgen, stobben — die anders toch zouden rotten en CO₂ uitstoten. Maar dat is een drogreden:

  • Resthout is essentieel voor het bos. Het voedt het bodemleven, houdt vocht vast, en vormt habitat voor talloze soorten;
  • Verbranding leidt tot onmiddellijke CO₂-uitstoot, terwijl verrotting dit veel langzamer doet — decennia lang;
  • Een markt voor resthout creëert nieuwe economische prikkels om méér te oogsten, wat leidt tot intensiever bosbeheer en grotere milieuschade.

Kortom: het verbranden van “resthout” draagt niet bij aan klimaatwinst, maar versnelt juist de uitstoot.

Impact op biodiversiteit en ecosysteemdiensten

Het grootschalig winnen van biomassa uit bossen heeft verregaande gevolgen voor ecosystemen. Het leidt tot:

  • Verjonging van bossen, waardoor oude bomen verdwijnen die cruciaal zijn voor biodiversiteit en koolstofopslag;
  • Verlies van dood hout, wat essentieel is voor insecten, vogels, schimmels, mossen en bodemdieren;
  • Verminderde bodembedekking, waardoor erosie, verdroging en opwarming toenemen;
  • Verminderde brandweerstand, paradoxaal genoeg, doordat vocht vasthoudende elementen verdwijnen.

Voor soorten die afhankelijk zijn van oude, diverse bossen — zoals spechten, uilen of de boskikker — is intensieve houtoogst funest. Ook ecosysteemdiensten zoals koolstofvastlegging, waterhuishouding, en klimaatbuffering worden ondermijnd.

Modellen geven een rooskleurig beeld — ten onrechte

Veel beleidsmodellen die biomassa een rol toedichten, zoals Integrated Assessment Models (IAMs) of Energy System Models (ESMs), nemen koolstofneutraliteit als uitgangspunt. Ze modelleren dus niet of biomassa klimaatwinst oplevert, maar gaan daar simpelweg van uit.

Dat leidt tot een vals gevoel van zekerheid en beleidskeuzes die gebaseerd zijn op onvolledige, of zelfs misleidende aannames. Mackey et al. pleiten daarom voor:

  • Volledige koolstofboekhouding (inclusief bodem, dood hout, foregone sequestration);
  • Realistische tijdschalen, waarbij emissies op korte termijn zwaarder wegen dan potentiële winst over 100 jaar;
  • Beleid dat uitgaat van empirische data en niet van wensdenken.

Alternatieven: bosbescherming en herstel

In plaats van bossen te verbranden voor energie, pleiten de auteurs voor het tegenovergestelde: bescherming en herstel. Het behoud van intacte bossen levert direct winst op voor:

  • Koolstofopslag (in bomen, dood hout en bodem);
  • Klimaatbuffering (voorkomt opwarming, droogte, brand);
  • Biodiversiteit (meer soorten, meer veerkracht);
  • Landschappelijke connectiviteit, essentieel voor migrerende soorten.

Het laten doorgroeien van bestaande bossen is volgens de auteurs één van de meest effectieve klimaatmaatregelen met “co-benefits” voor natuur.

Conclusie: biomassabeleid moet op de schop

Het artikel van Mackey et al. maakt korte metten met het idee dat het verbranden van bosbiomassa een effectieve klimaatmaatregel is. Integendeel: het verhoogt de CO₂-concentratie, degradeert bossen, bedreigt biodiversiteit en vertraagt de energietransitie.

Bosbiomassa is geen hernieuwbare energiebron op relevante tijdschalen. Het is een dure omweg met grote ecologische schade. Overheden zouden deze praktijk niet langer moeten subsidiëren, en biomassaverbranding uitsluiten van hernieuwbare energiedoelstellingen.

In plaats daarvan ligt de weg naar klimaatbestendige ontwikkeling in het beschermen van natuurlijke bossen, het herstellen van ecosystemen, en het versnellen van de uitrol van échte duurzame energie zoals wind, zon en geothermie. Alleen dan ontstaat er ruimte voor een veerkrachtige toekomst — voor mens én natuur.

Plaats een reactie